is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van ketenen en spangen; een andre wijk bedwelmde haast de Argonauten met zijn duizend geuren; in vazen van kristal en porcelein verdroomden kostelijke specerijen: sandel, nardus, saffraan en mirre, koheul en henna, betel, baccaris en malabathrum, bdellium, myrobolaan en aloë.

19. Weer elders glansden koude harrenassen, zwaard en rondas en de lange lans en hamers, knodsen, tijgermessen; en alom hadden bloemverkoopers hunne kramen opgeslagen, waar de wonderbaarste rozen praalden uit Sjiras en Bengalen.

20. In andre wijken spreidden zich de onafzienbre rijen woltapijten; de zijden stoffen, lucht, doorzichtig als heel teere nevels; daar glansde 't goud der filigreinen bruiloftskleeden.

21. Daar gleden dan zeer oude langbehaarde priesters, ziende öm noch öp en rinklend met hun schellen; daar stonden in verstijfde houdingen de wondrendoende fakirs, vreemd en ondoorgrondelijk; leprozen schuurden afzichtelijk witte huiden aan de muren. Doch in de duistre wijken waar in ketenen gevangen volkren beefden, daar raasden goddelijke profeten, opwaarts hitsend den heilgen geest.

22. Dan was 't een stille wijk die óp hen nam in suizelende bosschen waar pauwen hunne staarten sleurden en apen in de boomen speelden en gansche vluchten tortels door de lanen zwierden en gazellen hupten om de marmerbanken.

23. En bij een donkre vijver waar de weeë maan haar schijnsel baden liet, daar zaten, onbeweeglijk, edele anachoreten gelijk een rij van steenen afgodsbeelden.

24. Uit de diepten van de onderaardsche tempels steeg