Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een helsch gedonder van de bronzen gongen; weer verder sierden maagden bleeke tomben van graniet; daar fladderden de kleine colibris te midden van de rozen; en sombere cypressen blankten daar de marmeren mausoleeën.

25. Inmiddels op de drukke pleinen togen lange ommegangen van priesters en van leeken langs de treden van de tempels, beurend gouden relequien in de blauw-geaarde wijdinghanden; klokken woeien hunne galmen door de luchten en de bronzen wierookvaten, zwenglend, spreidden hunne geuren.

26. Van de tinnen der moskeeën weerluidden zich de heilige gebeden en in de kathedralen onderhielden wijze priesteren een eeuwig vuur te midden van de zuchten der gedrukten.

27. Nu kwamen uit de stille huizen zwierige wellustelingen in kleederen van brocaat, of violette zijde; de oogen omgeverfd met blauw; gezalfde baarden rood van vermillioen en op de schitterende vingers, blinde vogelen, rijk gevederd, zingend luide.

28. Zooals de hemel blinkt en blikkert, alom lacht van de verrukkelijke sterren, zoo was deez stad vervuld van vreugd der blakende paleizen; de huizen waren vol van dronken lieden; om waterbekkens in de koele hoven zaten gracieuze vrouwen, 't bovenlijf ontbloot en rijk getooid met bloesems tot een snoer geregen; in vorstelijke zalen straalde buit veroverd door de jonge helden; in rijke stallen steigerden de witte schimmelhengsten.

29. Aan de hoeken van de stegen zegden vinders hunne tooverige sproken diep van zin; gespeel van citers en mandoren welde uit de huizen van den dans; bekorend

Sluiten