is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was 't glippen van de bloote voeten voor de luisterende ooren.

30. En over gansch de stad een lach van weelde hing gebogen als van den wind die huivert over 't spel der lentezeeën.

31. Toen naderden de blijde Argonauten een vreemd oord; chaotisch doolhof van bergen, rotsen, kloven; en nu verrees te midden van onmetelijken wijngaard die zijne ranken schoot tot aan de zee, een schemerende toren hoog om hoog, van onbegrijpelijke maten, zoo wonder grootsch en woest dat gansche rijen sterren om de transen als geslingerd lagen; de top verloor zich in woestijn der tijden.

32. En weldra persten zij de vruchten aan de lippen; ze sierden zich met druivenloof en vingen aan, van wijn ontvlamd, een daverenden dans.

33. Daar donkerden de nachtelijke poorten der Heilige Spelonken; een vochte koude nam hen op in donkere gewelven.

34. Doch nu en dan van één gescheurd was 't sombere graniet; dan zagen zij in ijle hoogten sterren stralen; of wel naar beide zijden openden zich windenfrissche kolonnaden, waar, in starheid van veel eeuwen, overweldigende beelden blikten tot hen neer met maanbelichten lach.

35. En in de diepten, over balustraden, zagen zij de stad ter nederliggen, deinend als een zee van duister en van licht.

36. Dan donderden heel lange eindelooze gaanderijen van 't schaatren der Bachanten dansend bij de rosse wakkeling der fakkels.

37. En hier nu waren al de muren overdekt met schrik-