is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de lampjes van de wakers die hun ommegangen togen over al de grauwe wallen.

43. Op heuvelen en bergen rezen stijl omhoog de rustende paleizen, de citadellen dreigend met de hoekige kanteelen, de tempels die de blanke zuilen torsten boven deinende arkaden.

44. En gansch in wijde verten trof zijn blik een tempel stralend boven immer stapelende marmeren terrassen waar steenen dieren waakten; leeuwen, griffioenen, sfinxen, elefanten.

45. Een Vrouw was daar gehuld in nevelsluiers en stond geheven onder weidschen parasol van witte zijde, glanzend, bleek gelijk de maan.

46. Naast haar een bronzen Ketel, immer kokend boven laaiend vuur en om haar heen een angstig vragend heir van apen dat zij voedde met het ziedend vloeisel.

47. De maan die daalde neer en leunde op de hooge vestingwallen, zooals een strijdster die zich werpen wil in woest gevecht; toen sloeg de Maagd de beide armen hooge en zij riep uit dat Jazion haar hoorde:

48. O Maan nu staat gij, een Godin, en heft uw laaiende flambouw om met een zwaai het licht te dooven in de troostelooze zeeën.

49. En Gij weet toch hoe ik u immer prijs, hoe ik de lange nachten sta op mijn terrassen, de grillige passen volgend, o milde Danseres, van uwe bleeke voeten door der wijding melkenwitte zalen?

50. Ik groet U, Koningin der Nachten; nog aarzelt Gij en schijnt te rillen voor je den hoogen sprong gaat wagen. Wel weet ik Uwe macht en ken de heimenissen van Uw wezen en weet het Teeken dat Gij stelt te midden van de witte winterwolken.