Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70. Neen Maagd, ik haat de koude Uwer Aardsche tempels hoog in dood van 't koude Noorden.

71. Doch mij, o Dyonisos, is zoo bange voor Uw blaken; doch wil ik gaan U te gemoet en vinden U op 't plein dat halverwege ligt van U tot mij.

72. O Maagd Medea, zoo wil ik gaan tot 't Plein des Midden dat robijnen-rood ik stralen zie van heerlijk weidsche beelden; 't Plein der Schoonheid waar al wegen samenkomen.

73. O Maagd, ik hoor 't juichen van een leeuwerik hoog boven U in luisterrijke luchten; nu vindt ik u op 't Plein des Midden waar al wegen samenkomen.

74. O Dyonisos, zie, ik daal langs killige terrassen en zweef U te gemoet en zie, de Zon, de Zon rijst nu nog feller en heel boven over 't Plein; doch nimmer vrees ik nu meer uwen gloed!

75. Hier ril ik Maagd Medea in Uw armen, hier zwijmelend wordt ons lijf tot één; in roode vlammen rijzen al de schoone Beelden van 't Eenig Wezen om ons heen!

76. De derde Parel straalt omhoog in mijnen Ketel!

77. Welk is het edel vuur dat ons te midden brandt; ik voel nu hoe mijn Hart begint te leven, hoe 't Hart te haamren staat als een hoog godlijk Smid!

78. Wat smeedt Gij nu, mijn vreemde Held?

79. Ik smeed de Veelheid tot de Eenheid; ik hamer al het Duistre gloeiend tot één vonk van Geest.

80. O Vreemde Held, die komt van verre oorden, zoo zeg mij nu in Uwe zoete woorden, de dingen die zoo lang ik overdacht. Helaas, mijn weten nimmer mij ooit Vrede bracht!

81. O zeg mij, vreemde Held, hebt Gij gezien 't spel

Sluiten