is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der jonge kinders aan de moederborsten; hebt Gij gezien der menschen liefdesblikken; hebt Gij gezien de loode kleuren van den dood?

82. O zeg mij, Held, o zeg mij, zeg mij; wat is't leven, wat de dood, wat is de liefde, wat 't Leven! O zeg mij, Held, wat is d'Oneindigheid?

83. En zeg mij toch waar was het leven, toen gansch de aarde overgloeiend was en niets kón leven; en toch is 't leven opgekomen uit deez witten hemeloven?

84. En zeg mij, Gij die komt van ver; de sterren en de maan en al de duistere planeten, zeg wonen wezens daar als wij; ik weet er zijn daar dingen die onze rede niet kan peilen, er zijn daar kleuren, waarvan ons oog den glans niet prijzen kan.

85. En zeg mij; al het leven stormt van 't kleinste tot den mensch omhoog, zoo zeg mij nu: wordt in 't menschlijk organism gedood dien wonderfellen stroom van Geest?

86. En zeg mij, weet de larve, weet de chrysalide, weet de vlinder dat zij één en 't zelfde wezen zijn? En is 't waar dat dood „slechts gaan is in een andere kamer" ?

87. En hoe is mooglijk dat de zichtbre wereld opgebouwd is met oneindigheid van deeltjes niet t'ontwaren?

88. En zeg mij, zeg mij, vreemde Held, die weten kan, o zeg mij: Wat is waarheid?

89. Doch zweeg Held Jazion en antwoord' niet en werd zeer stil en zocht in al de nieuwe schatten van zijn overrijke Hart.

90. Doch zie, een donder kwam getogen langs den Weg der Liefde; van bliksemschichten was vervuld de roode gaanderij van Babel's Toren en een geweldig hijgen