Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII.

DE BUIT DER DIEPTEN

1. Ik heb de zon zien opgaan over de gebergten, het licht zien breken de sombere vallei.

2. Als donkre noot zoo werd gekraakt het aardsche dal waar ik verwijlde, en als een pit zoo werd mijn ziel ontbloot.

3. De ochtendster stond laaiend boven mijne hut en toen van 't zilvren licht hij werd verzwolgen, ben ik gerezen in de bergen en heb mijn armen uitgestrekt tot Hem, die zich heeft teruggetogen in de zon.

4. Tot Hem heb ik aldus geroepen in het breken van de nachten,toen, zilveren, de beken ruischten naar omlaag:

5. O Zoon, Verlosser uit de Diepten, ik smeek U, laat mij naadren overnieuw tot Uw heet vuur van Liefde, langs de wegen van mijn werken.

6. Laat mij toch weder tot U zingen met de vroege vogelen, en tot U schallen uit den mond der dalen.

7. Laat mij toch weder heffen tot Uw Majesteit mijn heimweevolle armen;

8. laat mij toch weder jagen tot Uw voeten mijne woorden, zoo de herders hunne kudden jagen tot de bloembedauwde weiden.

9. Toen antwoordde in mij een stem, die trilde:

10. Ga toe, het aanbeeld dezer aard is aan 't verkoelen; nog werd niet al het erts tot staal. —

11. Heer Aiètès zat in zijn Gouden Huis; daar schemerden de marmerzalen; daar ruischelden de hoven van de klaterende bronnen; veel duizenden slavinnen in droomerige zalen wijlden en in de koele waterbekkens gleed wel menig edel lijf.

Sluiten