Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Heer Aiètès zat op zijn gouden zetel, die straalde al van emerald; gelijk een pauw die pronkt inwisselende schoonheid zijner veeren, zoo prijkt' omhoog de troon in 't zwijgen van de zalen.

13. Gebukt lag om hem heen het volk van wijzen en van vorsten; doch hij, gelijk een donderwolk, rust in zijn zilveren gewaad; zijn ronde oogen rood, den langen baard gezalfd en al het bruine lijf gebaad in iele geuren;

14. een zilvren parasol, gelijk de maan zoo blank, en daaraan hingen slingers gele rozen, was boven zijne goudenen tiaar; veel teere vrouwen met zeerraadsevolle oogen bewaaierden zijn koninklijke lijf en wierook

steeg uit kristallijne vaten.

15. Zacht ritselden de zijdenen gewaden der glijdende slavinnen; zij dansten licht, veel bloemen vielen van heur zwarte haren en panters geeuwden aan de marmeren pilaren.

16. Aan den voet des hoogen zetels stond een bronzen vat; gedragen was die zee van twaalf bronzen rundren, haar rande was versierd als de blaadren eener lotos, en geheel gevuld was zij met zwart geronnen bloed van al de levens dezer aarde.

17. En in dien wereldspiegel, waarin de teekens van den zodiac gegraven waren, zag koning Aiètès het wezen aller dingen; van boomen, steenen, bloemen, sterren, menschen; den bouw van alle lichamen.

18. En Jazion en Medea stonden voor zijn troon.

19. En toen ontwaakte koning Aiètès en sprak aldus tot

de hooge Maagd:

20. Zoo wilt gij mij verlaten gaan, mijn hooge Vrouw, gij Liefelijke Blijde Vrouw; gij zielenvol Gelaat?

Sluiten