is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21. Doch zoo gij blijft in mijne weelderige steden, zoo geef ik u ze alle ten geschenk. Ik geef u al de edle steenen die ik met macht ontroofde aan de sterren; ik geef u al de koninkrijken dezer aard en stel een zetel U aan 't einde van de sfeeren.

22. Zoo gij slechts blijven wilt en schijnen late, lieve Vrouw, uw zielenvol Gelaat tot mijne rijkbevrachte vloeden.

23. Zoo menigmaal heb ik gedronken Uwer oogen diepe koele blikken; zoo menigmaal heb ik van 't menschenras geroemd u Witte Bloem; uw Wijsheid is de krone van mijn rijk en uwe ziel 't meesterstuk van Ouraios' heelal.

24. Doch sprak Medea niet en strekte slechts de hand en neigde neen.

25. Toen voer Aiètès op en schold op Jazion en zeide woest tot hem:

26. Gekomen zijt Gij niet om Gulden Vlies noch om Medea; mijn scepter wilt Gij en mijn rijk; om mij mijn kostelijke kroon te rukken van de slapen, zóó komt Gij hier.

27. Held Jazion, die zei: Geloof mij, koning Aiètès, het Gulden Vlies en deze Maagd, zijn al wat ik begeer, en zoo gij mij die willig geeft, gewis mijn Vader zal u rijk beloonen.

28. Weer voer Aiètès op: Zwijg, jongeling, ik ken Uw vreemde wezen, ik weet Uw walging en Uw trots en zag de teekens die Gij groeft van wonderverre Dingen.

29. Doch zoo Gij wilt verlaten dit rijk oord, zoo ga slechts heen; neem met U mede gansch Uw volk van leege droomeren, doch laat mij hier de edle Vrouw en richt niet Uw verlangen tot mijn gouden Schat.