Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

p

30 Heer Aiètès, zoo ik nu ga, zoo neem ik met mij mede al het Schoon: keer tot u zeiven in en leer de weg

»- S jfSrivKï r rur iss'sïi.-s.-ss

dezen Mensch is niets. Vpp1

32 la ia, heer Aiètès, de muren van uw li|f zijn vee te hóóg; gü stelt te laat een doel; reeds werd m M.) des mensehen doel bereikt; doch gij blijft nu gevangen in uw lijf, zooals een beest in zijne kooi.

33. Heersch over droomen, Jazion, doch laat mi| dezen

34 Heersch over stof, Waanzinnige, en sterf; sprak JaJinn maar ik «li k een sterke Herder een r„k Lam draagMn de kalen, zoo zal ik al omvatten de Schoonheid van uw landen, ze voeren tot mijns Vaders troon,

35. in mijn bedriegelijke elementen zal tk verheffen al aardsch gewoel, dit loutren met m'in he'len Ge .

36 Daar bulderde Aiètès tot zijn vrouwen; Geef hem drinken uit den beker Nepenthès!

37 Doëh jazion zei: lk heb uw beker tot den grond

3?' gedronken: doeh vond ik daar 't Vergeten me .

iq ne Koning sprak: Zoo toon mij eerst dat Gij de edele Trofee verdient en waardig zij, te voeren zulk een

39 O?': veld van Mars daar weiden mijne belde slieren, onvergelijkbaar is hun kracht; zij spuwen felle vlammen. Zoo foon mij nu Uw koninklijke bloed en tem de stieren; ploeg het woeste veld en zaai de tanden van den groenen Draak.

Sluiten