Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40. Des morgens vroeg geploegd, dan moogt Gij 's avonds rusten van den oogst. En zoo Gij dit volbrengt, voorwaar, ik geef U hier mijn woord, Gij moogt het Vlies dan met U nemen en ook nog deze hooge Maagd.

41. Toen werd het stil in al de zalen en zie, een duif kwam heftig aangevlucht, vervolgd van eenen grooten arend; de blanke vogel vlucht' in Jazions beveiligende armen en dood aan zijne voeten viel de groote adelaar.

42. Doch lachte woest de Koning, sprak: Dit teeken geldt niet mij! Ontsteek op de altaren de geurge offeren! Slacht de gewijde lammeren en al de blanke stieren en doet den rook ten hemel stijgen tot mijns vaders troon. Al 't vet is voor Ouraios.

43. Zoo hij mij slechts deez' Jongen geeft en deze rijke Maagd, zoo klim ik tot de hemelen omhoog en stel mijn tronen in de sterren. —

44. O, mijn geliefd verhaal, ik volgde minnend uwe wegen, doch leede zie ik naderen uw eind, en weenen kan ik om het hooge Beeld dat gaat verscheiden.

45. Ik aarzel; ik mocht nog lange wijlen met mijn Liefde bij uw Bronne; doch edler niet kan ik den Edlen prijzen, dan met een harmonieus voleinden zang.

46. Zoo ga ik voort den gang der Schoonheid, nu Liefde stuwt, doch wacht mij Zwijgen aan het einde; o mocht haar vinger dan weer wijzen langs de baan van mijn Verlangen, nog diepre Beelden met nog grooter Liefd' aanbeden. —

47. De hooge Eenheid trad nu uit de breede zalen en in het wijde veld; omwonden van Medea's sluier gingen beiden langs de rijk bebloemde weiden en in gebergten star en ijzig koud.

Sluiten