is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

morgenzon; nu keerden Beiden neder; doch Jazion's gelaat werd rijk verheerelijkt en straalde fier gelijk een roode leeuw op al de rotsen, die de stad omgaven.

67. Zoo kwamen zij tot een geweldig woud, dat met zijn groeiing dekte al de bergen; de boomen, planten, alle droegen bloesemen; zoo rijk versierd scheen hen het wondre woud, alsof een goddelijke geest uit ieder bloempje tot hen lachte.

68. En Jazion wees haar de bergen en valleien, en zei: O liefelijke Maagd, aanzie het woud dat in de felste

kleuren staat te prijken.

69. De sneeuwge stroomen storten zich met donderende zangen naar de diepten, en in het licht der zon vervliegt het opgewaaide nat en wuift als parelnevelen heen.

70. Doch ook de boomen zingen; de lariks zingt het roode lied van zijne bloesemen; en al de weiden tooien zich met 't diepe blauw der enzianen.

71. En hoor-je niet het zachte luiden overal der blauwe klokjes langs de rotsen; en hoor-je niet het zoete kirren overal der tortels in de dennen; en hoor-je niet het kraken van de zonverhitte aard; en hoor-je niet het wieken van de adelaren in de luchten?

72. De Zon staat in het teeken van den Ram en wordt verhoogd en trekt zoo alle dingen tot zich; bevrijdt de bloemen dezer aard, de rotsen en de beken, de bergen, dalen, de zilver-schitterende wolken uit de macht der duisternissen.

73. Doch Ik, zoo Ik verhoogd zal zijn van deze aarde, zal alle dingen tot mij zamelen en terugdoen in den schoot des Diepen.