is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74. Nu wacht U grooten strijd, o Jazion; ik zal nu eerst uw Lans, uw Zwaard en uw goud Schild en daarna ook uw Lichaam zalven met het sap van deze plant, geboren uit des Titan's wonde.

75. Zoo deed ze. Toen trad, gelijk de God Apollon, Vorst Jazion tot 't rauwe veld van Mars, waar hij reeds Koning Aiètès zag naadren op zijn hooge karre.

76. Zijn schoone zonen hielden vast de toornen zijner rossen en somber glansd' zijn pantser zwart.

77. j-jet gansche volk van Babyion kwam achteraan met luid geschal, met blij geluid, en met het pijpen van de fluiten, en met het dreunen van de trommen en met gejuich der bruine kinders dansend aan de handen

hunner jonge moeders.

78. Ook zag men van de bergen dalen edle vorsten van de herders, en op de lichte schepen kwam gezeild 't visschersvolk der kusten; toch leek hetreuzige veld

nog leeg. .

79. Daar riep in hoon heer Aiètès: Dat de Koning van het Purpren Schip nu toone zijne kracht; de taak verrichte, die ik op hem legde; dan neem' in vrede hij, de kostbare trofee, het schitterende Vlies van Goud.

80. De jonge Held zweeg stil en wierp ter aard zijn

safferaangekleurd gewaad.

81. Twee woeste stieren kwamen plots te voorschijn uit het onderaardsch gewelf waar hunne stallen waren, in dikken rook gehuld en vlammen snuivend en lijk ontzettende vulcanen; en als van bliksemen omgeven

stond Vorst Jazion.

82 Doch met onmetelijke kracht wierp hij de stieren op de knieën en legd' hen op het juk en dwong ze met de lans den ploeg te trekken.