is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91. Daar zameld' hij zijn raad van wijzen en deze zonden Hedone, de schoonste Vrouw van Babyion, tot 't schip der Argonauten.

92. In prachtige gewaden was zij rijk gehuld en gansch omgeven door een edlen stoet van maagden en van knapen; zij deed haar fijnen sluierdoek langzamerhand ter aarde nedervallen en danste voor de helden met haar kleine blanke borsten.

93. Veel Edelen ontvlamden toen in heete lusten, vergaten veel aan de lippen van de jonge maagdelijns, doch Phidias verrees en doolde als een leeuw om een blok marmer, dat hij met meesterhanden hieuw tot een fier godlijk Beeld.

94. Van Hedone verbleekte nu de glans; haar sluiers vielen, de rozen ritselden omlaag uit heur vergrauwend haar en al het schoone spooksel viel tot asch; gewonnen hadden andermaal de hooge Argonauten.

95. En weer vergaderde heer Aiètès den raad van zijne wijzen.

96. Toen zonden ze de babylonsche zangers in zijden mantels hemelsblauw en knapen droegen hunne gouden harpen; ook zonden zij sirenen van de zee, die stonden naakt en luide uit te galmen hun heerlijke gezangen

aan parelende stranden.

97. Doch Orpheus greep zijn lier en zong een lied van

Kareol.

98. Verstommen deden al de barden, en ook de vrouwen van de zee, zij staakten hunne lays en als betooverd viel het al in zwaren slaap.

99. Toen stond Held Jazion op, om met Medea 't Gulden Vlies te halen.

100. En hij kwam tot het woud alwaar in droomen stijf