Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Groote Draak ter aarde lag; daar glansde aan den breeden Boom het heerlijk Gulden Vlies.

101. Van rijke tranen stroomde over 't Hart van Jazion, als hij de Schat zag blaken in de morgenluchten en van zijn lippen schalde luid gezang, gedragen op het orgiën van de winden; en spreidde beide armen uit

en noemde zich Balans: w„0_

102. Want Ik weeg nu de Reinheid en de Schuld, de Wijzer van mijn Hart wijst wie gaat rijzen, wie gaat dalen.

103. Ik ben de Man en ben de Vrouw;

104. Ik ben het Rijk, de Harmonie, de Heerschappij,

105. Ik ben de Grond, en de Triomph en Glorie,

106. En in mijn heilig Hart, staat Schoonheid, Spiegel van het Licht en straalt gelijk de Zon.

107. En in mijn rechter arm is de Genade,

108. Doch in mijn linker arm Gericht;

109. Ik ben de Wijsheid en 't Verstand;

110. Ik ben het Weten, Kroon en Eenheid.

111. Zoo schalde hij het diepe woord en zag in liefde to het Vlies, dat scheen te groeien.

112. Zij spreidden nu de Vachte tusschen hunne armen uit, en ziet, het wies en vulde stad en woud, en bergen en rivieren, en al de zeeën wijd, en ee wereld en de sterren, en al de hemelen met zijnen

gouden glans. . ,

113 Daar werd in 't midden van de schittering ge

Beeld onzeggelijk, verheven, grootsch; zij zagen in hun liefdedronken oogen, een diep, met dorenen

kroond Gelaat.

114. Toen liet omhoog in 't meer der alpen, de: zwaa den gouden ring terneer, en de geschokte aar g aan erbarmelijk te beven.

Sluiten