is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

115. Medea hing nu Jazion de Gulden Vachte om gelijk een lang gewaad, waaronder zij zich aan hem leunde.

116. Steeds rooder werd de gouden gloed des nagesleepten mantels, toen zij met wangen breed van sprakeloos onmetelijke vreugd het purper schip bereikten, met d'opgang van een andre zon.

117. De fiere Roeiers vielen hen in stom geluk te voeten, en Jazion hieuw af het kabeltouw, dat hem nog vasthield aan den wal en stond geheven bij den mast; Medea rustte stille weenend op het toegevouwen Vlies.

118. Heer Aiètès, ontwaakt, kwam aangerend met zijne ruiterbenden, en al het volk van Babyion kwam met flambouwen in den nacht, die heel de aard omhulde; en Argo zeilde weg.

119. Heer Aiètès hief hoog de armen in vervloeking, hij riep God Ouraios tot een getuigenis.

120. Daar zonken schild en fakkel hem uit de verstarde handen, hij blies een loeien uit en stierf gelijk een beest.

VIII.

PARABRAHMA

1. De Regenboog verschijnt en wijst den weg waarlangs de Argonauten trekken; de machtige Splenditenens straalt in zijn zeven kleuren.

2. In Liefde heeft nu Jazion geheeld wat woest in strijd lag omgekeerd, de beker van de eenheid is gevuld; het sombre rijk Phlegéton is gedaan.

3. Nacht lag gestrengeld om den kouden bol der aarde, de kille wateren bestroomden al het land; gelijk de maan blinkt nu de witte wereld, en langzaam valt tot stof uiteen.