is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4 Daar hoorden d'Argonauten een diep weemoedig schreien; Vrouw Gaia stond in lijkgewaad geheven boven d'aard; zij weende en riep met zwakke stem:

5. O Jazion, heb dank voor weinig en voor veel. Rust werd mij, rust; eindlijk, eindlijk rust.

6. Dan zakte zij in een en stierf en werd tot stof, zooals 't menschelijk lijf vergaat, wen uitgetogen wordt de

goddelijke ziel.

7. 't Lange Vaartuig zweefde voort door de bewolkte sfeeren; doch telkens was de wijde hemeloceaan omzoomd met vestingwal van hellevuur waar een der Broeders met zijn legers zich had teruggetrokken.

8. Doch Jazion sprak zijn machtig woord; dan opend zich immense poort en al de monsters weken.

9. Zoo sprak hij zevenmaal bij 't razen der daemonen:

10. Ik heb mijn Zelf in de aarde weergevonden, ik heb

mijn schooven saamgebonden; ik heb mijn kinderen bijeenvergaard en ook mijn vaderen; ik ben uit Kareol gedaald en stijg tot mijnen Vader weder;

11 Dit Teeken sneedt Hij in mijn Hart, met dezen sleutel open ik de poorten en sluit ze achter mij weer toe.

12. Maar toen hij kwam tot Ouraios en onder zijne Gouden Poort gedreven voer, toen sprak de sombre God tot hem:

13. O Jazion, Gij hebt mij valsch begrepen! Ben ik niet Zion's Beeld geweest en zijn Profeet en heb ik niet de werelden gemaakt naar zijn model, naar Kareol, en Hem ter eer; en om Hem te verzekeren een oord van waaruit Hij de duisternissen kon bestrijden.

14. En heb ik U niet voortgebaard en zoo het godlijke verlost uit de armen van de Nacht?

15. O Groote Leugenaar Ouraios; gij hebt het dier ge-