is toegevoegd aan je favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schapen en den mensch, om Maya eeuwig in uw

armen neer te houden;

16. En der Geboorten Rad om heer te zijn van Kareol.

17. Uw hooge daden zijn gedaan, heer Ouraios, en in dit Vlies heb ik voor U verborgen breeden buit van

Schoonheid uit de diepten.

18. Toen antwoord' Ouraios niet meer; doch werd zeer stil en star; rondom gebogen zaten zwijgend neer de groote Duivelen, lijk Phoenixen die zich tot asch verbranden.

19. Het licht verdooft nu Argo verder gaat en de muziek der sfeeren zwijgt; die breken nu uiteen, de zonnen vallen uitgedoofd terneer als overrotte vruchten, de hemelweg verstuift tot stof en al de Broeders sterven.

20. Doch voor hen uit verrijst een wonder licht en al de Argonauten zwelgen weg in woeste tranen, en hoor, een heerlijk zalig vreemd gezang, en zie, veel duizend, veel, onnoemlijk vreemde scharen van overzaalge Wezens juichen tot hen toe.

21. Zij hooren onuitspreeklijk zalig zoet gezang van niet t'ontwarren vreugdewoorden; zij zien een niet te zeggen warreling van vreugdenvol gelach en eindlijk opent zich een weg tot aan den troon van Een, die met een mateloozen snik hen omvat in zijne armen...

IV.

HET HART

1. Een Schoonheid kwam tot mij van verre dagen; van 't gloren van den eersten heilgen dag, van 't vluchten van den eersten blauwen nacht.

2. Ik stond weer aan 't begin der eeuwen, en aan mijn koele voeten stroomden oceanen samen.