Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den regel, ten minste bij het maken van vrjje opstellen, bij lange na niet het geval. Indien ergens, dan is het waar te nemen aan de gevoelens, die zoo dikwijls den arbeid aan een opstel begeleiden. Geen spoor immers van opgewekte inspanning, van blijden werklust, van heerlijk krachtsgevoel. Begrijp ik bet karakter van onzen, aan sleur en traditie overgeleverden schoolarbeid goed, dan is een goedgeslaagd opstel louter een toevalligheid, nimmer een noodwendigheid.

„Daar wil my niets invallen." Dat is bij het maken van een opstel een klacht, even stereotiep als het knabbelen op den penhouder. De onderwijzer verwacht, dat een stroom van gedachten zijn leerlingen zal toevloeien; inmiddels brengen ze het trots alle inspanning slechts tot enkele kommerlijke, trieste, ongezellige, onvruchtbare gedachtetjes. Daar zijn anders in den geest der scholieren genoeg reproduceerbare voorstellingen aanwezig; maar ze worden niet in voldoende aantal en niet met de gewenscbte levendigheid tot bewustzijn gebracht.

Hoe nu gedaan? Allereerst dient men de leerlingen te oefenen in het associeeren. Door de vragen: „waaraan denk je?" (bij 'tzien van deze plaat, bij dit woord, bij dezen zin) „waaraan nog meer?" wordt het kind opgewekt tot associatieve bezigheid. Ik kan verzekeren , dat leerlingen, bij wie de voorstellingen nog los zitten, op deze wijze licht gebracht kunnen worden tot een levendig spel van voorstellingen. Ik spreek van associeeren, wijl het verloop onwillekeurig is. Er heeft geen zoeken plaats, want de vraag luidt steeds weer: „waaraan denk je?" en op een prikkel, hetzij woord of voorstelling, reageert de kinderlijke geest immer onwillekeurig.

Weliswaar zijn de resultaten dezer associatieve werkzaamheid van niet te hooge waarde, daar de opduikende voorstellingen meermalen slechts in zeer toevallig verband staan met de oorspronkelijke opwekkende voorstelling, terwijl bovendien de kracht der laatste weldra afneemt.

Wil men methodisch zorg dragen voor het overvloedig tot bewustzijn voeren van voorstellingen door een thematische gedachte, dan moet men van het laten vinden over-

Sluiten