Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Arbeidsvermogen.

Ik noemde lust tot den arbeid de kostelijkste vrucht van alle onderwijs, lust tot den arbeid den grootsten schat, dien een school haar discipelen kan medegeven. Maar even hoog stel ik de kracht tot den arbeid, het vermogen om te kunnen werken.

Laat er geen misverstand tusschen ons sluipen. Indien ik de kultuurwaarde onzer vrouwelijke leerlingen wensch te verhoogen, dan ligt het geenszins in mijn bedoeling, een arbeidslast op haar schouders te leggen, waaronder zij lichamelijk zouden moeten lijden. Elk beroep, maar vooral dat van vrouw en moeder, eischt een uiterste behoedzaamheid bij het vergen van zenuwinspanning als van elke lichamelijke inspanning van meisjes.

Bovendien, hoezeer ik ook de schooljaren teleologisch, d.w.z. als voorbereidingstijd voor „het leven" beschouw, toch ken ik ze een eigen, een aangeboren recht toe, evenals zij ook hun doel hebben. Ik erken: schooljaren zyn jaren van jeugd. Ernstige arbeid, energieke inspanning van krachten — ja, overlading — neen.

Wat ik reeds meermalen heb gezegd, zij hier nog eens met alle duidelijkheid herhaald: doel van ons onderwijs is niet de opneming van een groote massa doode leerstof, maar het verwerven van levende kracht. Zelfs op gevaar af, dat de opleiding onzer vrouwelijke jeugd door sommigen onvolledig mag worden gevonden, moeten wij steeds opnieuw onze leerstof daarop onderzoeken, of niet door minder stof de training der energie kan worden gebaat.

Minder stof — m9er kracht !

Onze tijd vordert niet zoozeer een uitgebreid, als wel een mobiel weten, een weten, waarmee gewerkt kan worden. Bovendien is een krachtig streven naar verovering van wetenschap, een aandrift tot geestelijke zelfvolmaking, tot zelfstandige ontwikkeling van den geest, oneindig meer waard dan een imponeerend weten, dat aan zichzelf genoeg heeft.

Sluiten