Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door zinnelijke of geestelijke genieting (Aristippus, Epicurus), hetzij door eene bedwinging der affecten door de rede (Antisthenes, Stoïci).

Eerst met het Christendom verkrijgt de moraal een sociaal karakter van persoonlijke opoffering ten bate van anderen. De rechtvaardiging der zedelijke voorschriften wordt daarbij vooreerst nog gezocht in het geloof (heteronomie). Eerst veel later werd, voornamelijk onder invloed van de Engelsche wijsgeeren der 17de en lSde eeuw, de vraag naar den oorsprong van de zedelijke gevoelens en het zedelijk oordeel meer psychologisch behandeld, onafhankelijk van godsdienstige autoriteit en dogmata; en vanzelf ging men zich hierbij plaatsen op een empirischen grondslag. Sommigen zochten daarbij den beweeggrond van zedelijk gedrag in een berekenend of onbewust egoïsme (Hobbes, Helvetius), anderen daarentegen in een op natuurlijke sympathie gegrondvest altruïsme (Shaftesbury, Smith). Een soort van terugslag weer leverde de formalistischintuïtionistische philosophie van Kant met zijn rigoristische plichtleer in tegenstelling van 's menschen neigingen en van alle eudaemonisme, in welke leer hij, zij het ook op anderen grondslag, in volle overeenstemming kwam met de kerkelijke leerstukken. Aan de 19de eeuw eindelijk was het voorbehouden, vooreerst om het teleologisch utilitarisme, zich aansluitend aan een empirisch-positivistische denkwijze, nader te ontvouwen; en vervolgens om een evolutionistischbiologische ethiek te ontwikkelen, die zich aansloot

Sluiten