is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding tot de wijsbegeerte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mert in zijn nadeeligen en gevaarlijken levenswandel, en anderen afschrikt die neiging mochten hebben hem daarin na te volgen; en eindelijk 3°. de maatschappelijke zeden en gewoonten, die veelal nog grooter macht uitoefenen dan de wet, en aan welke zich de openbare meening en de sociale beoordeeling vastknoopen. Daardoor worden niet alleen velen gedreven tot de vervulling hunner sociale plichten, maar wordt ook veel werktuigelijk verricht, dat anders de grootste zelfoverwinning zou vereischen.

Al deze factoren nu hebben een grooten invloed op het zedelijk gedrag der menschen. Inderdaad, de bewuste en onbewuste beweegredenen, die leiden tot moraliteit, zijn van velerlei aard en stammen uit zeer verschillende bronnen, die elkander aanvullen en versterken en die, naar reeds Stuart Mill opmerkte, grootendeels niet samenhangen met eenig zelfbewust moreel plichtsgevoel. ') Als zoodanig noemen wij, nevens de zooeven genoemde heteronome machten, nog: 1°. de biologische van overerving van langzamerhand verworven moreele instinkten; 2°. de psychologische van aangeboren sympathie en zucht tot nabootsing; 3°. de sociologische van behoefte aan gezelligheid en begeerte naar solidariteit in gevolge van gemeenschappelijke belangen ;4°. de paedagogisclie van de uitwerking der opvoeding.

1) Vandaar, dat Pierson ergens opmerkt: „Wat ware er geworden van de zedekunde, indien het zedelijk leven zich niet dikwijls had veroorloofd onkundig te blijven zelfs van het bestaan eener zedekunde."