is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding tot de wijsbegeerte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 6. Intuïtionisme en Evolutionisme.

De intuïtieve moraalphilosophie beschouwt de zedelijke beoordeeling en verplichting als een onmiddellijk inwendig als waarheid gegeven en daarom ook als zoodanig erkend iets, dat zich onafwijsbaar aan den mensch opdringt en zonder meer als evident mag worden aangenomen, zich niet leenend tot een nadere analyse, evenmin als bv. de mathematische axiomata. Zij wil niets weten van eene afleiding der moreele voorstellingen uit de ervaring, maar beroept zich te harer rechtvaardiging op een oorspronkelijk bewustzijn van goed en kwaad. Ter beslissing van wat zedelijk of onzedelijk is wordt een beroep gedaan op een ingeboren gevoel, dat ons bij intuïtie onfeilbaar den juisten weg zou wijzen en welks oorsprong wij niet verder kunnen naspeuren. Vooral in het geweten, dat tot ons spreekt waar de persoonlijke neigingen in strijd komen met het plichtsgevoel, vinden wij, naar Kant het uitdrukt „die sich selbst richtende moralische Urtheilskraft".

De ethiek van Kant namelijk, gegrondvest op geweten en plichtsgevoel, draagt een duidelijk intuïtionistisch karakter. Zij loochent de mogelijkheid eener psychologische verklaring van het zedelijk oordeel en is afkeerig van het aannemen eener genetische ontwikkeling van het geweten; zij is volkomen tegengesteld aan elke empirisch-eudaemonistische of naturalistisch-evolutionistische ethiek. Niet alleen is alle hedo-