Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nisme haar een gruwel, maar ook de moreele waarde van handelingen mag volgens haar nimmer worden afgemeten naar hare gevolyen, en alle teleologie moet als empiristisch van aard ten strengste uit de moraal geweerd worden. Alle deugd met 't oog op zekere daarmede te bereiken uitkomsten wordt uit den booze geacht, en in plaats daarvan een kategorische imperatief gesteld, die voert tot het strengste rigorisme, tot een „du kannst denn du solist." De moraal is niet eene vertolking van een natuurorde in de ervaringswereld der zichtbare verschijnselen, maar een uitvloeisel van een onkenbare intelligibele wereld. Al zijn dus de zedewetten autonoom, in zooverre zij tot het menschelijk wezen zelf behooren, terzelfder tijd dragen zij een transscendent karakter.

De moraal wordt niet afgeleid uit het bestaan van God, maar omgekeerd dit laatste beschouwd als noodwendig voortvloeiend uit de aanwezigheid van het ons onmiddellijk gegeven plichtsgevoel. Zoodoende wil Kant den godsdienst grondvesten op de moraal, na eerst alle speculatieve theologie te hebben omvergeworpen. God, vrijheid en onsterfelijkheid zijn volgens hem de onmisbare postulaten van zijn moraal der „praktische Vernunft". Want de onomstootelijke zedewet veronderstelt noodwendig: 1°. het bestaan van een absoluut wetgever, zonder welken supranatureelen achtergrond een absoluut gebiedende zedewet geen zin zou hebben; 2°. een verantwoordelijkheid, en daarmede ook zedelijke vrijheid; en 3°. een

Sluiten