is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding tot de wijsbegeerte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zedelijk gebod toch kon slechts sprake zijn, indien de wil niet reeds noodwendig bepaald werd door natuurlijke oorzaken; want vielen wilsneigingen en gebod samen, dan kon men niet spreken van plicht. Eerst de overwinning der neigingen kon als deugd beschouwd worden: eerst dan toch had men te doen met ware moraliteit, bestaande in eene overeenstemming tusschen wil en zedewet, m. a. w. in eene plichtsvervulling uit plichtsgevoel; in tegenstelling van een legaliteit, die slechts bestond in een wettig en rechtmatig handelen naar wat de zedewet gebiedt, maar zonder een uitvloeisel te zijn van zedelijken zin.

Anderen daarentegen beweerden dat een goede daad, ook al wordt zij spontaan verricht zonder voorafgaanden innerlijken zielsstrijd, daarmede nog hoegenaamd niet haar zedelijk karakter inboet. Integendeel, volgens hen verkrijgt de deugd juist een des te duurzamer karakter, naarmate zij minder zelfverloochening vereischt en meer voortvloeit uit innerlijken drang en neiging. Wie zich steeds zijn plicht heeft voor te houden, boezemt weinig vertrouwen in; en het mag veeleer een teeken van hoogere zedelijke volkomenheid heeten dan van onvolmaaktheid, indien niet telkens een bewust plichtsgevoel van noode is. Hoe minder inspanning en opoffering het kost zijn plicht te doen, en hoe minder zich daaraan het gevoel van een opgelegde taak vastknoopt, des te meer standvastigheid van deugdbetrachting valt er te verwachten.

Ook het rigoristisch karakter van Ivant's ethiek vond veel bestrijding. Het werd doctrinair en onprak-