Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begaafde aauschouwers van die buitenwereld verkrijgen.

De mate van aesthetische genieting hangt niet alleen af van wat door den kunstenaar of de natuur geboden wordt, maar niet minder van den psychischen toestand van den aanschouwer. Alle waar kunstgenot kenmerkt zich door een belangelooze belangstelling; alle gevoel voor het schoone door eene tijdelijke willoosheid, die geen begeerten, ernaar strevende zich in daden te uiten, tot achtergrond heeft. Het schoonheidsgevoel, belangeloos van wezen en den mensch verheffend boven persoonlijke strevingen, treedt spontaan op, zonder neven voorstellingen of nevenbedoelingen. Het is vreemd aan alle (/oe/voorstelling, en het is juist daarom in staat zulk een hooge en onverdeelde genieting te schenken. In dit opzicht vertoont de kunst een sterke overeenkomst met het spel, dat eveneens wèl een groote opvoedend-biologische waarde en een zeer nuttige uitwerking hebben kan, maar dan toch slechts als bijkomend middellijk effect, niet als eigenlijk doel. Het was Schiller, die voor het eerst op die merkwaardige en gewichtige overeenkomst de aandacht vestigde; terwijl in onzen tijd vooral Karl Groos dat denkbeeld uitvoeriger ontwikkelde. Spel en kunst zijn wel is waar niet identisch, maar toch in menig opzicht na verwant. Beide zijn praktisch doelloos, worden beoefend om haar zelfs wille, en spruiten voort uit een soort van overtollige levenskracht ; maar tegelijkertijd hebben zij een groote opvoedende waarde en een liooge biologische beteekenis, al komt deze niet altijd tot klaar bewustzijn.

Sluiten