Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer aan 's Rijks ambtenaar, daartoe door den minister van Financiën aangewezen, of aan den rechter, zoo niet naar de eischen van het burgerlijk recht, dan toch overtuigend wordt aangetoond, dat de schuld reeds tijdens het leven van den erflater bestond.

Artikel 7 der wet van 1897.

Roerende zaken, x) geschonken, of schuldvorderingen kwijtgescholden aan bloed- of aanverwanten tot den vierden graad ingesloten, of aan hunne echtgenooten, worden voor de regeling van de rechten van successie en van overgang geacht bij het overlijden van den schenker in zijn boedel te zijn en bij legaat te zijn verkregen, als dat overlijden plaats heeft binnen 180 dagen na de schenking of kwijtschelding.

Was de schenker in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd dan wordt het geschonkene of kwijtgescholdene geacht tot de gemeenschap te hebben behoord en voor de helft bij legaat te zijn verkregen, indien binnen 180 dagen na de schenking of kwijtschelding hij of zijn echtgenoot overleed.

Van de waarde van hetgeen wordt geacht bij legaat te zijn verkregen kan, voor de regeling van de rechten

') In het Staatsblad komt deze komma voor, naar het schijnt ten onrechte.

2

Sluiten