Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3°. voor de regten, verschuldigd wegens den overgang op den verwachter van erfenissen of legaten over de hand, de verwachters, wanneer zij den eigendom verkrijgen.

Art. 6.

Het regt op periodieke uitkeeringen, bij de instelling verschuldigd, wordt voorgeschoten door hem, die met de uitkeering is belast, en bij iederen termijn van betaling, naar evenredigheid van het getal, waarmede de uitkeering, overeenkomstig art. 23 lit. e is vermenigvuldigd, gekort, met bij rekening van eenen interest van vier ten honderd, alles tenzij andere beschikkingen mogten zijn gemaakt.

Art. 7. x)

Uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen zijn, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de aan dezen bij de wet opgelegde verpligtingen gehouden, ingeval al de erfgenamen buiten het Rijk hunne woonplaats hebben. Zij zijn tot het doen van aangifte bevoegd, bijaldien één of meer der erfgenamen hunne woonplaats hebben binnen het Rijk. Wanneer zij van deze bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, zijn zij, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de aan dezen bij deze wet opgelegde verplichtingen gehouden.

In de gevallen, bij de artt. 1055 en 1059 van het Burgerlijk Wetboek voorzien, hebben de erfgenamen en de uitvoerders der uiterste wilsbeschikkingen, met betrekking tot de regten van successie en van overgang, dezelfde regten onder dezelfde voorwaarden, als bij die artikelen ten opzigte van de legaten zijn toegekend en gesteld.

') Verg. art. 5 lid 2 wet 1897.

Sluiten