Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het regt van successie, in welks kring de overledene, binnen het Rijk, zijne laatste woonplaats had, bij schriftelijke memorie, aangifte te doen van:

1°. den aard en de waarde van al wat door het overlijden wordt geërfd of verkregen.

Met opzigt tot de onroerende goederen, waarvan de overledene den eigendom, of waarop hij slechts een zakelijk regt van gebruik of bewoning, van erfpacht, opstal of beklemming had, moet worden opgegeven: a. de gemeente, waarin zij zijn gelegen, de sectie en het nommer van het kadaster voor zooveel zij in het Rijk gelegen zijn; b. de grootte, wat de ongebouw de eigendommen betreft.

De aan het regt van overgang onderworpen effecten en rentegevende schuldvorderingen moeten specifiek aangegeven worden.

2°. de lasten en schulden, waaruit het passief des boedels is samengesteld, volgens art. 2 / omschreven;

3°. de erfgenamen, legatarissen en verdere verkrijgers; hunne verwantschap of de betrekking van huwelijk tot den overledene, den insteller der erfstelling over de hand of den insteller van het vruchtgebruik of de periodieke uitkeering, bij opvolging verkregen, en den ouderdom der personen van wier leven de uit den boedel verkregen wordende vruchtgebruiken of periodieke uitkeeringen afhankelijk zijn.

4°. hetgeen door ieder wordt geërfd of verkregen, met opgave, zoo niet alles bij wettelijke erfopvolging vererft, van den titel, krachtens welken geërfd wordt of verkregen;

5°. zoo niet alles bij wettelijke erfopvolging vererft, de personen, die bij versterf geheel of gedeeltelijk

Sluiten