Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij verbeuren bovendien eene boete, gelijkstaande met het bedrag van het verschuldigd recht, doch van ten minste honderd gulden.

De vorderingen, waartoe dit artikel aanleiding geeft, worden ingesteld op de wijze bepaald bij de artikelen 21 en 36 der wet van den 13den Mei 1859 (Staatsblad n°. 36).

Art. 11.

De erfgenamen, legatarissen en andere verkrijgers van onroerende zaken, binnen het Rijk gelegen of gevestigd, en nagelaten door iemand die geen ingezeten was van het Rijk, doen, bij schriftelijke memorie, aangifte van den aard, de ligging, de sectie en het nommer van het kadaster, de grootte en de waarde dier zaken, ten kantore in welks kring zij gelegen of gevestigd zijn.

Art. 12.

Gaat bij boedels van ingezetenen des Rijks, geheel geërfd wordende in de regte lijn, of met echtgenooten. in het geval van art. 56, n°. 3, bepaald, hetgeen door ieder hunner wordt geërfd of verkregen, geen duizend gulden te boven, dan bepaalt zich de aangifte tot vermelding van:

1°. de erfgenamen, met opgave van hunne verwantschap, of de betrekking van huwelijk tot den overledene;

2°. het zuiver saldo der nalatenschap;

3°. de onroerende zaken en aan het regt van overgang onderworpen effecten en rentegevende schuld-

Sluiten