Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorderingen, aangewezen als in art. 10, n°. 1, tweede en derde lid, is bepaald. Indien geene zoodanige zaken zijn nagelaten, moet dit worden opgegeven.

4°. de legatarissen of andere verkrijgers onder bijzonderen titel met aanwijzing van den aard en de waarde van hetgeen zij verkrijgen en krachtens welken

titel.

Bij gegrond vermoeden van onjuiste opgaven is de ontvanger bevoegd, op de wijze bij art. 21 bepaald, de indiening te vorderen eener memorie, als in art. 10 bedoeld.

Vererft de boedel, alleen ten gevolge van verwerping door andere erfgenamen dan die in de regte linie en de echtgenoot, in het geval van art. 56, n°. 3, geheel op de erfgenamen in de regte linie of op deze en dien echtgenoot, dan doen de laatsten aangifte overeenkomstig art. 10.

Art. 13.

In geval van onvermogen van den overledene wordt, bijaldien door het overlijden geen vruchtgebruik, fideïcommis of periodieke uitkeering is vervallen of overgegaan, eene verklaring van den burgemeester der gemeente, waar de overledene zijne laatste woonplaats had, overgelegd, houdende dat het hem niet bekend is dat de overledene eenige roerende of onroerende zaken heeft nagelaten.

De verklaring wordt afgegeven op aanvraag van de erfgenamen of van den rijksambtenaar.

Art. 14.

Bij alle aangiften voor het regt van successie wordt tevens opgegeven of de overledene al dan niet eenige

Sluiten