Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art, 23.

Voor de regeling van het regt van successie wordt de waarde bepaald:

1°. van hetgeen in vollen of met fidei-conti/nis bezwaarden eigendom wordt geërfd of verkregen, als volgt:

a. van de onroerende zaken, in de artt. 562 en 563 van het Burgerlijk Wetboek vermeld, van het regt van erfpacht, van opstal en van beklemming, met de daartoe behoorende gebouwen, werken en beplantingen, van den eigendom van goederen in erfpacht, opstal of beklemming uitgegeven, op de verkoopwaarde ten dage van het overlijden, volgens des aangevers begrooting.

De waarde van de buiten het Rijk gelegen of gevestigde onroerende zaken moet afzonderlijk worden be-

O

groot.

b. van hypothecaire schuldvorderingen op het bedrag van het kapitaal, of op de waarde door den aangever te begrooten; in het laatste geval met aanw ijzing ^ei ondergezette goederen, op de wijze bij art. 10 n . 1 vermeld;

c. van grondrenten, tienden, cijnsen, tijnsen en dergelijke altijddurende en voor eenen onbepaalden tijd op onroerende goederen gevestigde praestatien, op den afkoopprijs, bij de vestiging bepaald, en indien die niet bepaald is, op de waarde naar den maatstaf bij art. 799 van het Burgerlijk Wetboek of andere wettelijke verordeningen vastgesteld. Bij gebreke van de daar bedoelde marktprijzen of jaarlijksche opbrengst, op de waarde door den aangever te begrooten.

d. van de effecten, op hunne geldswaarde, naar de prijscourant, op last van den Minister van Financiën door ten minste vier makelaars of commissionairs in

Sluiten