is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 37.

Zoo met betrekking tot eene aangifte, welke, ingevolge art. 29, litt. a en b, niet aan beëediging is onderworpen, na verloop van den termijn van aangifte, een gegrond vermoeden bestaat dat eene verzwijging, eene te lage of verkeerde aangifte, als bij art. 36 is bedoeld, heeft plaats gehad, kan de verpligting tot het beëedigen der aangifte door de regtbank van het arrondissement in hetwelk het kantoor, waar zij is ingediend, gevestigd is. aan de aangevers worden opgelegd.

Daartoe wordt door 's Rijks ambtenaar een met redenen omkleed verzoekschrift aan de regtbank ingediend. Een afschrift daarvan wordt, met dagvaarding voor de regtbank, aan de aangevers beteekend.

De zaak wordt behandeld op den voet voor regtsgedingen in zake van registratie bepaald.

De eed of verklaring bevolen zijnde, moet worden gedaan binnen eene maand na den dag, waarop het bevel der regtbank aan de aangevers is beteekend, en zijn verder de artt. 28, 32, 33 en 34 van toepassing.

De in dezen gemaakte kosten komen ten laste der aangevers, bijaldien verzwijging, te lage of verkeerde aangifte blijkt te hebben plaats gehad.

De verschuldigde regten worden met een vierde daarvan, als boete, verhoogd.

Art. 16 der wet van 1897.

De verhooging van het recht in de gevallen, voorzien bij de artt. 36 en 37 der wet van den 13den Mei 1859 (Staatsblad n°. 36), zooals die zijn gewijzigd bij de wetten van den 28sten Mei 1869 (Staatsblad n°. 95) en van den 9den Juni 1878 (Staats-