is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten einde herhalingen en verwijzingen bij de formulieren te voorkomen, komt het doelmatig voor, daaraan eenige algemeene opmerkingen te doen voorafgaan betreffende de navolgende vragen:

a. Van welke nalatenschappen moet aangifte geschieden? (zie nos. 1—3.)

b. Wie zijn tot aangifte gehouden? (zie nos. 4—17.)

c. Waar moet de aangifte geschieden? (zie nos. 18—23.)

d. Hoe moet de aangifte geschieden? (zie nos. 24—27.)

e. Binnen welken tijd moet de aangifte geschieden? (zie nos. 28—34.)

ƒ. Wanneer verjaart het recht om eene aangifte te vorderen? (zie nos. 35—39.)

g. Wie zijn tot beëediging gehouden? (zie nos. 40—45.)

h. Waar moet de beëediging geschieden? (zie no. 46.) en

i. Hoe moet de beëediging geschieden? (zie nos. 47—49.)

a. Van welke nalatenschappen moet aangifte geschieden ?

1. Van iedere nalatenschap van een ingezetene des Rijks, hoe gering de baten ook mogen zijn, behoort aangifte gedaan te worden; evenwel kan op aanvrage van de erfgenamen of den ontvanger der successierechten, ingeval van onvermogen van den overledene en bij aldien door het overlijden geen vruchtgebruik, fideï-commis of periodieke uitkeering is vervallen of overgegaan, eene verklaring van den burgemeester der gemeente, waar de overledene zijn laatste woonplaats had, worden overgelegd, inhoudende dat het hem, burgemeester, niet bekend is, dat de overledene eenige roerende of onroerende zaken heeft nagelaten, (art. 13 Successiewet.)