is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet in het algemeen aan de erfgenamen, en slechts bij uitzondering, in de gevallen van de artt. 11, 15 en 59, aan de legatarissen opgelegd.

Ook zij die zaken of waarden onder zich hebben met de opdracht om die bij het overlijden van een ingezetene des Rijks niet in den boedel te brengen of daarmede zóó te handelen dat zij niet in den boedel komen, zijn gehouden tot het doen van aangifte op de in art. 5 der wet van 1897 voorgeschreven wijze. (Verg. ook art. 14 der wet van 1897).

Doet een legataris vrijwillig aangifte, zonder daartoe verplicht te zijn, dan maakt het bestuur der registratie geen bezwaar deze aangifte en het dienovereenkomstig door hem verschuldigde recht, indien hij dit aanbiedt, aan te nemen.

Zoodanige door den legataris ingediende aangifte heeft echter hoegenaamd geen invloed op de verplichtingen der erfgenamen.

Of de erfgenamen eene nalatenschap zuiver dan wel onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden of gebruik maken van het recht van beraad is onverschillig en ontheft hen volgens art. 17 der Successiewet niet van hunne verplichting om aangifte te doen.

5. Erfgenamen zijn in de eerste plaats zij die dit naar burgerlijk recht, ingevolge de wet of krachtens testamentaire beschikking zijn. Erfgenamen zijn ook zij, die door de Successiewet als zoodanig worden beschouwd, zooals degenen, die volgens art. 1 bis dier wet en de stichtingen, die naar art. 13 van die van 1897, geacht worden te erven. (P.W. 6630 en 7960.)

Of de legitimaris, die van de nalatenschap is uitgesloten, doch die zijn recht op het hem toekomend wettelijk erfdeel doet gelden, aangifte moet doen, hangt af van de vraag of de legitimaris als zoodanig als erfgenaam moet worden beschouwd. Men zie daarvoor de rechtspraak en de schrijvers aangehaald bij