Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Klaassen bl. 194 env. en prof. Segers, in W. N. R. 1839.

Het bestuur der registratie leert dat hij erfgenaam is en daarom ook verplicht tot het doen van aangifte, tenzij de erflater aan hem ter voldoening van zijn wettelijk erfdeel een legaat mocht hebben gemaakt, dat even groot als, of grooter dan het erfdeel is. Bedraagt het legaat minder dan wordt hij tot het bedrag daarvan als legataris en voor het overige gedeelte van zijn erfdeel indien hij daarop aanspraak maakt, als erfgenaam beschouwd. (P. W. 6429, 7115, 7261, 8719.)

6. Ook de personen op wie ingevolge art. 918 B.W. de daarbedoelde goederen en actiën terugkeeren, zoomede de verkrijgers, bedoeld in art. 920 B.W., zijn tothet doen van aangifte gehouden. (Verg. de Wilde § 451.)

7. Wanneer een erfgenaam is benoemd onder opschortende voorwaarde, rust de verplichting tot aangifte (en ook tot betaling) op den erfgenaam bij versterf, zoolang de voorwaarde niet is vervuld. Na de vervulling der voorwaarde moet eene nieuwe aangifte worden gedaan door hem, die alsdan blijkt erfgenaam te zijn.

Is iemand benoemd onder ontbindende voorwaarde, dan is hij verplicht aangifte te doen, zoolang de voorwaarde onvervuld is. Na de vervulling rust gelijke verplichting op den erfgenaam, die alsdan tot de nalatenschap geroepen wordt.

8. De erfgenaam die verwerpt, wordt geacht nooit erfgenaam geweest te zijn en is dus natuurlijk niet meer tot het doen van aangifte verplicht, terwijl, indien hij reeds vóór de verwerping aangifte heeft gedaan, deze volgens art. 17 der Successiewet vervalt.

Sluiten