is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit is o.a. het geval met ingezetenen van Indië, die zich tijdelijk naar ons land begeven, b.v. voor de opvoeding hunner kinderen of voor hunne studie, met het kennelijk voornemen om naar Indië terug te keeren. (P. W. 7421, 7977, 8200.)

Dit kennelijk voornemen moet worden aangenomen voor burgerlijke en militaire ambtenaren, die met verlof hier te lande zijn. (P. W. 5533, 7421.)

Omgekeerd moet ten aanzien van iemand, die hier te lande zijn domicilie heeft, doch zich tijdelijk naar het buitenland begeeft, worden aangenomen, dat hij zijn domicilie hier behoudt. (P. W. 8555.)

Hetzelfde geldt voor militairen, hier te lande gedomicilieerd, die tijdelijk bij het leger in Ned.-Indië worden gedetacheerd. (Circ. 878, P. W. 8857.)

Ten aanzien van Nederlandsche militairen, die zich in vreemden krijgsdienst begeven, zal men naar omstandigheden moeten oordeelen. (Verg. P. W. 5532.)

Dat men niet als domicilie kan beschouwen, de gemeente, waar iemand volgens art. 245 der Gemeentewet in eenige plaatselijke belasting is aangeslagen, omdat hij daar verblijft of vertoeft, spreekt van zelf en werd terecht beslist bij arrest van den Hoogen Raad dd° 22 Februari 1861. (P. W. 3808.)

Het voornemen om ergens zijn hoofdverblijf te vestigen, moet volgens art. 76 B.W., bij gebreke van de daar bedoelde verklaringen, uit de omstandigheden worden opgemaakt. Zie gevallen hiervan in de vonnissen der rechtbanken te Sneek 20 April 1872 (P. . 6352), Almelo 29 Mei 1878 (P. W. 6511.), Maastricht 9 Mei 1878 (P. W. 6512.), 's Hertogenbosch 3 Januari 1879 (P. W. 6512.), Maastricht 29 Maart 1888 (P. W. 7589.), Arnhem 9 December 1897 (P. W. 9201.) en Roermond 18 December 1902 (P. W. 9597.).

Dat voornemen blijkt niet uit het feit, dat iemand, die een hoofdverblijf heeft, elders eene gevangenisstraf ondergaat, zelfs al werd hij daar ambtshalve in het

6