Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich elders te vestigen, zoolang deze vestiging nog niet heeft plaats gehad.

Opzoomer I, 124 env.; Diephuis I, 277; Land I, 55; leeren m. i. terecht, met een beroep op art. 74 lid 2 B. W., dat zoo iemand dan zijn domicilie heeft op de plaats van zijn werkelijk verblijf.

Het bestuur der registratie, dat deze leer vroeger niet huldigde (zie P. W. 841,2750,2868,3666, 8910, 8969) heeft echter bij P. W. 9495 de vroegere hiermede strijdige beslissingen ingetrokken en de voormelde leer van Opzoomer e. a. omhelsd, in overeenstemming met een advies van den Landsadvocaat en wel naar aanleiding van de volgende beslissing van den Hoogen Raad.

Iemand, die in 1877 Amsterdam, alwaar hij zijn domicilie had, verliet, zonder daar eene woning of meubels achter te laten, daarna in het buitenland reisde en zich in 1880 van het bevolkingsregister te Amsterdam naar Constantinopel liet overschrijven, werd in 1895, sinds 1893, vermoedelijk overleden verklaard.

Nadat aan het Bestuur zijne vordering van successierecht was ontzegd bij vonnis der rechtbank te Amsterdam dd° 7 Februari 1899 (P. W. 9124), werd het beroep in cassatie tegen deze uitspraak verworpen bij arrest van den Hoogen Raad dd° 8 December 1899, gewezen in overeenstemming met de conclusie van den advocaat Gregory (P. W. 9228).

Dat beroep was voornamelijk hierop gegrond, dat de rechtbank wel had onderzocht of het domicilie te Amsterdam was opgegeven, doch niet tevens of de woning naar het buitenland was overgebracht met het voornemen om aldaar het hoofdverblijf te vestigen.

Te dien aanzien werd overwogen:

„dat wel volgens art. 75 B.W. verandering van „woonplaats slechts stand grijpt door werkelijke woning „in eene andere plaats, gevoegd bij het voornemen om „aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen, maar dat dit voor-

Sluiten