Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„schrift uitsluitend betreft verandering van woonplaats, „dat is: het nemen eener andere woonplaats ter verhanging der vorige, en niet geldt van het enkel opgeven „zijner woonplaats;

„dat, volgens art. 74 B.W. ieder wordt geacht zijne „woonplaats te hebben, alwaar hij zijn hoofdverblijf „heeft gevestigd en bij gebreke van zoodanige woonplaats, de plaats des werkelijken verblijfs daarvoor „wordt gehouden;

„dat dus A zijn hoofdverblijf te Amsterdam opbrekende met de bedoeling om zijne woonplaats „aldaar op te geven, deze woonplaats heeft verlaten, „en, terwijl hij daarop nergens in Nederland zijn hoofdverblijf vestigde, of zijn werkelijk verblijf nam, niet „kon gezegd worden toch Amsterdam als woonplaats „te hebben behouden en in den zin der wet van 13 Mei „1859 ingezetene des Rijks te zijn gebleven."

De Hooge Raad neemt dus, in tegenstelling met zijn arrest van 1880, aan, dat iemand die zijn domicilie hier te lande opbreekt, zonder dit te vervangen door een ander hoofd- of werkelijk verblijf binnen het Rijk, ophoudt ingezetene in den zin der successiewet te zijn, onverschillig of hij zijn hoofdverblijf naar het buitenland overbrengt of niet.

21. Nederlandsche diplomaten, hoezeer buiten 'slands verblijf houdende, zijn ingezetenen van het Rijk, die officii causa afwezig zijnde, hier te lande en wel bij gebreke van eenige verdere aanwijzing, in den Haag, hunne woonplaats hebben, (P. W. 1841 bl. 160, n°. 19).

Dit is gegrond op het in het Volkenrecht aangenomen exterritorialiteitsbeginsel, dat gezanten geacht worden te wonen in den Staat dien zij vertegenwoordigen.

Boedels van overleden diplomatieke agenten van vreemde mogendheden hier te lande, vallen derhalve buiten het bereik der successiewet.

Sluiten