Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22. Omtrent het zoogenaamd afhankelijk domicilie van minderjarigen of onder curateele gestelden werden de volgende bij de Wilde in § 99 aangehaalde beslissingen genomen.

Een minderjarige zal, wanneer hij meerderjarig wordt, zijn domicilie behouden daar wraar zijn voogd het heeft, indien ook hij daar woonde en indien hij op eene andere plaats woonde op deze plaats, tenzij hij in deze gevallen het voornemen aan den dag legt, om zich elders te vestigen.

(P. W. 3564, 3934, 5238, cf Opzoomer I, 134; Asser en van Heusde I, 126; eenigszins anders Diephuis I, 275).

Hetzelfde geldt natuurlijk voor een curandus.

Een minderjarige of curandus heeft, wanneer zijn vertegenwoordiger is afgetreden of overleden, zoolang geen opvolger is benoemd, zijn domicilie op de plaats waar hij op dat oogenblik zijn werkelijk verblijf heeft.

(P. W. 6191, cf Opzoomer I, 129; Diephuis I, 291; Asser en van Heusde I, 124, 126; verg. ook vonnis rechtbank Amsterdam 23 Februari 1860, P. W. 3676; anders Land I, 55.)

In art. 385 A. B. W. wordt, met afwijking van den in art. 78 B.W. neergelegden regel, dat minderjarigen de woonplaats van hun voogd volgen, bepaald, dat wanneer de voogd geen bekende woonplaats binnen het koninkrijk heeft, de Nederlandsche minderjarigen hunne woonplaats hebben bij den toezienden voogd.

Hetzelfde zal men niet mogen aannemen voor curandi, daar bij art. 506 B.W. voormeld art. 385^4 niet op curateele is toepasselijk verklaard.

23. De kringen en standplaatsen der kantoren zijn vastgesteld bij K. B. van 14 Mei 1906 n°. 58 opgenomen in Circ. 1300, gewijzigd bij K. B. van 23 Aug. 1906 n°. 38, Circ. 1305.

Wordt de aangifte aan een verkeerd kantoor gedaan, dan behoort zij te worden geweigerd, terwijl, indien zij

Sluiten