Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33. Blijkt, na verloop van den termijn tot aangifte, dat niet al wat door het overlijden werd geërfd of verkregen, is aangegeven; dat lasten of schulden zijn opgegeven, welke niet tot de nalatenschap behooren; dat de buitenlandsche bezittingen of de roerende goederen, in art. 23 n°. 1, onder de letters e, g en i vermeld, niet tot de wezenlijke waarde zijn aangegeven, of dat eenige andere verkeerde opgave of verzwijging, ten nadeele van 's Rijksschatkist, heeft plaats gehad, dan wordt tegen hen, die daarvan geene nadere aangifte deden, een dwangschrift als hiervoorbedoeld uitgevaardigd tot betaling eener bepaalde som voor recht en boete.

Dit dwangschrift mag niet worden uitgevaardigd dan nadat eene maand, te rekenen van den laatsten dag van den termijn tot aangifte, is verloopen.

De belanghebbenden worden van de boete ontheven, zoo zij van hunne onschuld doen blijken (art. 36 successiewet.)

34. Schijnen de binnen het Rijk gelegen of gevestigde onroerende zaken in art. 23 n°. 1, onder de letters a en c, en de door de aangevers gewaardeerde roerende zaken, aldaar onder de letters b,darif vermeld, niet overeenkomstig hunne wezenlijke waarde aangegeven, dan is de ontvanger bevoegd van die zaken, overeenkomstig de daarvoor bij art. 38 der successiewet voorgeschreven wijze, eene waardeering door deskundigen te vorderen.

Art. 40 geeft het middel aan de hand om zoodanige gerechtelijke waardeering te voorkomen.

/. Wanneer verjaart het recht om eene aangifte te vorderen?

35. Daarvoor bepaalt art. 63 n°. 1 der wet, dat ingeval van verzuimde aangifte, d.i. dat, waarin geene aangifte is ingediend, de vordering daartoe verjaart met 5 jaren, te rekenen van den dag van het overlijden, wanneer dit binnen het Rijk heeft plaats gehad, of in

Sluiten