is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

39. Is de eed niet binnen den bepaalden termijn afgelegd, dan wordt volgens art. 34, door ieder nalatige eene boete van ƒ 25 in hoofdsom verbeurd, voor iedere week verzuim.

Het bedrag der opcenten van de rechten en boeten in zake successie verschuldigd, wordt ieder jaar aangewezen bij de wet op de middelen en bedraagt, sedert 1841, 38 pet.

Indien iemand uit eigen hoofde en in eenige hoedanigheid, b.v. van voogd, tot beëediging verplicht is, dan is er ingeval van verzuim van tijdige eedsaflegging één nalatige en derhalve slechts één boete verbeurd. (P. \\ . 1036, 6942.)

Heeft iemand door een lasthebber aangifte gedaan, dan rust volgens art. 28 de verplichting tot beëediging op den last gever en beloopt deze dus de boete.

Dit is ook het geval wanneer hij is toegelaten om de beëediging door een lasthebber te doen en deze den eed niet tijdig aflegt; aan den laatste toch is de verplichting daartoe nergens opgelegd. (P. W. 8474.)

De lastgever heeft evenwel zijn verhaal wegens de door hem beloopen boeten op den lasthebber, naar de bepalingen van het B.W.

g. Wie zijn tot beëediging gehouden?

40. Regel is dat de aangiften worden beëedigd door alle aangevers-, op dien regel kent de wet slechts ééne uitzondering n.1. die, bepaald bij het laatste lidvanart.28.

Het Bestuur der registratie hield zich niet aan dien regel in de volgende gevallen:

Bij de decisie opgenomen in P. W. 8251, waarbij beslist werd, dat voor de aangifte door eene moedervoogdes en haar man als medevoogd gedaan, met de beëediging van den man kon worden genoegen genomen, daar deze reeds in zijne hoedanigheid van medevoogd daartoe bevoegd is en met de beëediging van één der beide voogden kon worden volstaan.