is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienstige gezindheid, öf den in dit artikel omschreven eed zweren, óf de daaraan gelijkluidende verklaring afleggen.

Of het een of het ander moet geschieden, hangt af van de beteekenis der woorden „godsdienstige gezindheid.''''

In strijd met de meening van sommigen, die gelooven dat ieder moet zweren, tenzij dit met zijne overtuiging strijdt wordt meestal geleerd, dat men moet zweren of verklaren, naarmate het kerkgenootschap, waartoe men behoort, dien eed al dan niet als geoorloofd erkent, in welk laatste geval de Doopsgezinden verkeeren. Dit wordt o.a. aangenomen door Diephuis, III, 16 e.v.; Opzoomer (Levy), XIV, 102 e.v.; Land III2, 425; van Boneval Faure, Procesrecht IV2, 31 en door den Hoogen Raad blijkens arrest dd° 25 Februari 1884 (W. 4996.)

Op een door A., als lidmaat van „Gedoopte Christenen"' te S., gedaan verzoek om te worden toegelaten om de deugdelijkheid eener memorie van aangifte voor het recht van successie te bevestigen met de verklaring, bedoeld bij art. 28 der successiewet, overwoog de kantonrechter te Sneek bij zijne op 11 November 1884 (P. \V. 7116.) genomen afwijzende beschikking aldus:

,.dat dit art. 28 bepaalt, dat de aangevers van een „boedel van een ingezeten des Rijks elk naar de wijze „zijner godsdienstige gezindheid den eed (verklaring) „moeten afleggen:

„„Ik zweer (verklaar) enz.; dat de woorden „gods„dienstige gezindheid" moeten worden verstaan evenals „of er stond kerkgenootschap-, dat de eed regel en de „verklaring als uitzondering moet worden beschouwd, „welke slechts door hen kan worden gedaan, die tot een „kerkgenootschap behooren, wiens geloofsleer het zweren „van den eed verbiedt; dat evenwel daartoe noodig is „dat het kerkgenootschap, overeenkomstig art. 1 der „wet tot regeling van het toezicht op de onderscheidene „kerkgenootschappen, erkend is, waarvan echter ten