is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48. Omtrent de wijze waarop de eed wordt afgelegd, bestaat geen wettelijk voorschrift. Zij heeft echter plaats naar de van ouds gebruikelijke formulieren.1) door namelijk onder het opsteken van de beide voorste vingers der rechterhand, uit te sprekeh de woorden: „Zoo waarlijk helpe mij God almachtig."

(Verg. hiervoor Diephuis. III, 15 noot 4.)

Alleen bepaalt een Kon. Besluit van 26 October 1818, dat Israëlieten den eed met gedekten hoofde behooren af te leggen, welk besluit de Hooge Raad, blijkens arrest dd° 28 Juni 1871 (W. 3348), verbindend beschouwt, hetgeen echter wordt betwist door Diephuis, t.a.p. en van Embden, Handl. W.v.B.R. I, 163.

49. Hij die opzettelijk een valschen eed aflegt, kan volgens art. 207 2) van het Wetboek van Strafrecht wegens meineed worden gestraft. (Zie voorbeelden hiervan in de arresten van het Hof te's Hertogenbosch 10 October 1888 (P. W. 7668.) en 12 Juni 1889 (P. W. 7824.) en van dat te Leeuwarden dd° 29 December 1904 (P. W. 9773.)

Ingevolge een circulaire van het Departement van Justitie dd° 3 Februari 1848, n°. 29, is den rechters aanbevolen aan de aangevers, alvorens den eed af te nemen, het eedsformulier duidelijk voor te lezen en daarvan in de acte van eedsaflegging te doen blijken. (P. W. 1037, 1038.)

1) Overeenkomstig art. 30 van het door art. 24 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl. n°. 102) afgeschaft Souverein besluit van 11 December 1813. (Stbl. n°. 10.)

2) Het eerste lid van dit art. luidt:

Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift eene verklaring onder eede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of bij een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk eene valsche verklaring onder eede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Het derde en vierde lid:

Met den eed staat gelijk de belofte of bevestiging die krachtens de wet voor den eed in de plaats treedt.

Ontzetting van de in art. 28 n°. 1—4vermelde rechten kan worden uitgesproken.