Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uitkeeringen wegens levensverzekeringen en dergelijke, die tengevolge van erflaters overlijden, krachtens eene door hem gesloten overeenkomst, worden verkregen, behooren volgens het Bestuur der registratie (P. W. 8636) niet tot de nalatenschap en behoeven mitsdien niet te worden aangegeven, — onverschillig of de bedragen moeten worden uitbetaald aan erfgenamen of rechtverkrijgenden dan wel aan bepaald aangewezen personen — daar deze hun recht niet aan erfrecht, maar aan overeenkomst ontleenen. — (In gelijken zin de jurisprudentie aangehaald bij de Wilde § 78.)

Anders evenwel, wanneer de uitkeeringen geschieden tengevolge van het overlijden van anderen; in een geval waarin tot de huwelijksgemeenschap, waarin erflater voor de helft gerechtigd was, eene polis behoorde, aan erflater geëndosseerd door iemand, jegens wien eene levensverzekeringmaatschappij zich had verbonden tot uitkeering na zijn overlijden van een zeker bedrag aan zijne echtgenoote, zijne kinderen of wettige erven of wel aan ieder ander wien de polis zou worden geëndosseerd, besliste het Bestuur dei registratie dat tot de nalatenschap behoorde de helft van de contante waarde der polis, waaronder moest worden verstaan de som, die ten dage van het overlijden, met het oog op het verzekerde bedrag, den leeftijd van den verzekerringnemer en de in de polis gemaakte bedingen, bij overdracht der polis, zou kunnen worden verkregen, d.i. hare verkoopwaarde. (P.W. 9261.)

Heeft de verzekeringnemer, zooals in de meeste polissen van levensverzekering wordt bepaald, het recht, om zoolang de verzekerde som niet opeischbaar is, de polis te beleenen, de verzekering af te koopen of over te dragen, dan vormt dit beschikkingsrecht een bestanddeel van zijn vermogen, dat, indien hij in algeheele gemeenschap gehuwd is, ook daarin valt.

Eindigt het evenwel bij zijn overlijden dan wordt het door hem niet aan zijne erfgenamen nagelaten, en

Sluiten