Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijft het voor het successierecht buiten aanmerking.

Sterft evenwel zijne met hem in algeheele gemeenschap gehuwde echtgenoote vóór hem, dan laat deze de onverdeelde helft in dat recht wel na. (Verg. ook Vonnis der A.R. Utrecht d.d. 6 Maart 1889 (P.W . 7816) en de bij de Wilde in § 77 aangehaalde vonnissen en arresten.)

Zaken, die krachtens vennootschap of welken anderen titel ook, aan verschillende personen gezamenlijk toebehooren en ingevolge eene door hen gesloten overeenkomst, bij overlijden van een of meer hunner aan de overige deelgenooten verblijven, komen evenmin in aanmerking voor het successierecht. Sterft een hunner, dan behoort tot zijn boedel geen aandeel in die zaken; dit gaat door overeenkomst, niet door erfrecht, op de anderen over. (Verg. voor soortgelijke bedingen bij huwelijksvoorwaarden tusschen aanstaande echtgenooten, art. 1 bis Successiewet.)

Alleenlijk komt zoodanig aandeel voor het successierecht in aanmerking, wanneer het zonder of tegen minder vergoeding dan de waarde, verblijft aan mede eigenaren, die erflaters bloed- of aanverwanten zijn, tot den 4en graad ingesloten, of aan hunne echtgenooten. (Verg. art. 12 der wet van 1897.)

(b) „overleden".

Art. 1 lid 2 der Successiewet bepaalt, dat voor de toepassing dier wet de verklaring van vermoedelijk overlijden met werkelijk overlijden in alle opzichten wordt gelijk gesteld, behoudens teruggaaf der betaalde rechten enz. in de gevallen daarbij bepaald, en dat de dagteekening der verklaring als dag van het overlijden wordt beschouwd.

(c) ,,gehuwd

Het doen van aangifte wordt door het Bestuur der

Sluiten