is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de last tot bewaren en daarmede de voornaamste verhindering van het gewone fidei-commis om in de gemeenschap te kunnen vallen, is weggekomen. (P.W. 5023, 5880.)

Ook het recht van den verwachter bij een fideicommis oordeelt het Bestuur niet in de gemeenschap te vallen. (P.W. 5023, 6089 en 6936.)

Omtrent de vraag of het vermogen eener vennootschap onder een firma in de gemeenschap valt, wanneer zij tengevolge van het overlijden van den vennoot niet wordt ontbonden, volgt het Bestuur het arrest van den Hoogen Raad van 2 Februari 1877, P.W. 6467, waarbij werd beslist, dat uit den aard der overeenkomst van vennootschap, die medebrengt dat, wil zij aan haar doel kunnen beantwoorden, haar vermogen als een afgezonderd vermogensbestanddeel moet worden beschouwd, zoomede uit het verband tusschen de bepalingen omtrent huwelijksgemeenschap en die aangaande maatschap, volgt, dat het aandeel toekomende aan iemand die lid eener firma is, niet valt in de huwelijksgemeenschap, bestaande tusschen hem en zijne echtgenoote. Haar recht lost zich dus volgens het arrest op in een persoonlijk recht tegen den echtgenootvennoot tot uitkeering van de helft der waarde van zijn aandeel in de vennootschap.

Sterft de echtgenoot-vennoot, dan laat hij na zijn géheele aandeel in de vennootschap (P.W. 7420.) (Zie form. XXX.)

Hiertegenover zal echter onder het passief kunnen worden opgegeven de vordering ten bate zijner echtgenoote tot uitkeering van de halve waarde van zijn aandeel in de vennootschap. Overlijdt zij, dan behoort tot haar boedel die vordering. (Zie form. XXXI.)

Volgens de Wilde § 56 zal het Bestuur hetzelfde moeten aannemen voor de burgerlijke maatschap en gewone commanditaire vennootschap.