Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(h) „Baten".

Of eenige bate al dan niet tot de nalatenschap behoort moeten de aangevers beoordeelen. Stuiten zij daarbij op moeilijkheden of twijfelen zij of iets moet worden aangegeven, b.v. doordat een overeenkomst, die daarop invloed heeft, onduidelijk is, dan kunnen zij niet volstaan met in de aangifte hunne rechtsbeschouwingen te vermelden, doch moeten zij het resultaat dier beschouwingen daarin mededeelen. Blijken die rechtsbeschouwingen of de opgegeven feiten of omstandigheden onjuist, dan kan de ontvanger de opvatting der aangevers ter zijde stellen, daar de verschuldigdheid der rechten niet kan afhangen van de meening der aangevers.

Verg. het arrest van den H.R. van 22 Januari 1906. P.W. 9825 en de naar aanleiding daarvan gegeven voorschriften van het Bestuur der registratie vervat in de aanschrijving van 12 Januari 1907. (P.W. 9928.) Twijfelachtige rechten kunnen dus in geen geval als dubieus worden uitgetrokken. (P.W. 3801.)

\\ ordt des erflaters recht op eenige zaak betwist, dan kunnen de aangevers die bate in de aangifte pro memorie aangeven, ten einde den schijn van ontduiking te vermijden. Na beëindiging van het geschil bij vonnis of dading zal dan aangifte moeten worden gedaan van datgene wat erflater werd toegewezen.

(i) „Onroerende zaken".

Daaronder vallen alle zaken, die onroerend zijn naar haren aard of bestemming en de uitdrukkelijk genoemde zakelijke rechten van erfpacht, opstal en beldemming, met de daartoe behoorende gebouwen, werken en beplantingen, en de goederen, waarop deze rechten rusten.

Andere onroerende zaken, als b.v. het jacht- en vischrecht op eens anders grond en andere zakelijke rechten dan de in het B.W. genoemde of erkende —

Sluiten