Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ledene reeds bezat, bezwaard met niet bij zijn overlijden eindigende vruchtgebruiken of periodieke uitkeeringen, als voor die, waarop door hem zelf eenig vruchtgebruik of periodieke uitkeering is ingesteld.

Voor de berekening der waarde van het vruchtgebruik vergelijke men de aant. (d) bij form. n°. XIV en die sub (m) hiervoor.

Indien het vruchtgebruik of de uitkeering bij opvolging is bedongen of besproken ten behoeve van verschillende personen van ongelijken leeftijd, levenslang, dan wordt de af te trekken waarde bepaald naar den leeftijd van den jongsten vruchtgebruiker of genieter der periodieke uitkeering.

Is b.v. aan A., oud 68 jaar, en bij opvolging aan B., oud 73 jaar, het levenslang vruchtgebruik besproken van baten, in vollen eigendom, / 10000.— waard, dan wordt van deze waarde ter berekening van den blooten eigendom afgetrokken 4 % van / 10000.— of / 400.— x 6 = / 2400.—

(Het cijfer 6 wijst de Successiewet in dit geval aan als vermenigvuldigingscijfer ter berekening van de waarde van het vruchtgebruik naar den leeftijd van den jongsten vruchtgebruiker.)

In de berekening van de waarde van den aldus bezwaarden eigendom wordt geen verandering gebracht door de omstandigheid, dat de jongste vruchtgebruiker of genieter geniet vóór den oudsten of omgekeerd, of dat het vruchtgebruik of de uitkeering gezamenlijk is gemaakt om te eindigen bij den dood van den langstlevende.

Laat iemand baten na, waardig in vollen eigendom / 10000.—, doch belast met levenslang vruchtgebruik ten behoeve van A., oud 53 jaar, en een p.u. ten behoeve van B., oud 38 jaar, ad /200.—'s jaars, gedurende zijn leven, dan bedraagt de aftrek:

4 % van ƒ 10000.— of / 400.— verminderd met de p.u. ad / 200.— per jaar

Sluiten