is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot de zoodanige behooren:

die in naamlooze vennootschappen; (Verg. de Wilde § 113)

die in reederijen, wier kapitaal in aandeelen wordt vertegenwoordigd; (Verg. P.W. 4051)

bewijzen van lidmaatschap in een credietvereeniging wanneer volgens hare statuten ieder crediettrekkend lid als commanditair vennoot daarin moet deelnemen en daartoe in de kas der vereeniging een zeker procent moet storten van het bedrag, waarvoor hij als crediettrekkend lid wordt aangenomen; (P.W. 7449)

aandeelen in commanditaire vennootschappen wier kapitaal in evenmatige deelen is verdeeld en voor elk zoodanig deel door het bestuur der vennootschap een afzonderlijk bewijs wordt afgegeven. (Verg. P.W. 7200) Niet echter kunnen daaronder worden gerangschikt: aandeelen in gewone commanditaire vennootschappen, aangezien de commanditaire vennooten een onverdeeld aandeel in het vermogen der vennootschap bezitten; (circ. 1076. P.W. 6645 en 9007)

die in gewone burgerlijke maatschappijen, vennootschappen onder een firma en reederijen wier kapitaal niet door aandeelen wordt vertegenwoordigd, en evenmin lidmaatschappen in vereenigingen, die niet tot het zoogenaamd vermogen in porte-feuille kunnen worden gerekend. (P.W. 5971.)

Wat aandeelen in eene coöperatieve vereeniging betreft, daaromtrent neemt de Wilde in § 115 m.i. terecht aan, dat, wanneer bij de statuten is bepaald, dat ieder lid een of meer aandeelen van een bepaald bedrag moet nemen en dat het lidmaatschap niet persoonlijk is (verg. art. 8 der coöperatiewet) er gesproken mag worden van aandeelen in eene onderneming, doch in andere gevallen ieder lid, bij overlijden, slechts nalaat eene rentelooze- vordering ten laste der vereeniging, ten onderwerp hebbende het hem toekomend saldo zijner gestorte gelden.